Het benutten van gedragswetenschappelijke kennis moet binnen 10 jaar systematisch en structureel verankerd zijn in het beleid, de uitvoering, het toezicht en de communicatie binnen de Rijksoverheid. Daarvoor is tijdens de kenniskamer “Beter benutten van gedragswetenschappelijke kennis” op 9 september 2025 het startschot gegeven. In deze interviewreeks gaan we in gesprek met enkele ambtelijke leiders die zich hiervoor inzetten. Dit keer is dat Mark Roscam Abbing, directeur-generaal Landelijk Gebied en Stikstof en waarnemend DG Natuur en Visserij.
Mark, is er een bepaald gedragsinzicht – bijvoorbeeld een denkfout of mentale shortcut - dat je herkent in jouw werk?
“Mensen vinden verandering bijna altijd moeilijk en houden daarom het liefst vast aan de bestaande situatie. Dat zie je terug in vrijwel alle beleidsvraagstukken, maar zeker ook op de terreinen waar ik zelf aan werk. We staan aan de vooravond van een grote transitie van het landelijk gebied. Daarbij denken we al snel vanuit het einddoel: hier moeten we naartoe, dit zijn de regels en zo gaan we dat doen. Maar we hebben nog niet altijd voldoende aandacht voor de vraag hoe je mensen daadwerkelijk meeneemt in zo'n verandering. Alleen regels of een aantrekkelijk toekomstbeeld zijn daarvoor niet voldoende.”
Welke rol spelen gedragsinzichten volgens jou bij het creëren van draagvlak voor verandering?
“Het is heel belangrijk dat mensen zich gezien voelen en dat hun emoties worden erkend. Een fout die vaak wordt gemaakt, is dat er te snel naar oplossingen wordt gezocht, terwijl verschillende partijen een verandering heel verschillend kunnen ervaren. Pas als je je echt hebt verplaatst in die verschillende perspectieven en erkent dat mensen er anders in kunnen zitten, kun je samen stappen zetten.
Dat vraagt om een andere manier van werken van de overheid. Beleidsmakers zouden veel meer tijd moeten investeren in het gesprek met mensen, zonder direct op zoek te gaan naar oplossingen of regels. Gewoon luisteren. Dat klinkt misschien soft, maar het is essentieel. Goed luisteren en oog hebben voor emoties en reacties die niet altijd volledig rationeel zijn, helpt om mensen zich gehoord en serieus genomen te laten voelen. Dat aspect zie je nog te weinig terug in programma's en plannen voor grote stelselwijzigingen, terwijl het juist een belangrijke voorwaarde is voor draagvlak.”
Welke gedragsinzichten neem je mee uit de tijd dat je werkte als directeur van het programmadirectoraat-generaal Samenleving en Covid-19?
“Tijdens de coronaperiode is voor mij nog eens duidelijk geworden hoe belangrijk gedragsinzichten zijn. In mijn verhoor in de Tweede Kamer heb ik daar ook aandacht voor gevraagd. Soms moet de overheid duidelijke normen stellen; dat is ook een belangrijk gedragsinzicht. Tegelijkertijd moet je mensen die moeite hebben met die normen niet meteen wegzetten als mensen die het verkeerd zien of niet willen meewerken. Juist daar kan de overheid beter in worden.
Daarnaast heb ik gezien dat je met relatief eenvoudige gedragsinterventies veel kunt bereiken. De overheid probeert gedrag vaak te beïnvloeden met regels, subsidies of andere financiële instrumenten, maar er zijn ook subtielere manieren. Een eenvoudig voorbeeld is een poster bij een koffieapparaat die aantoonbaar gedrag kan beïnvloeden. Zulke interventies kunnen, mits goed onderzocht en gemeten, heel effectief zijn.
Toch krijgen gedragsinterventies binnen de overheid nog relatief weinig ruimte. Ook in recente beleidsprogramma's zijn ze beperkt opgenomen. Dat is jammer, omdat ze juist kunnen helpen om mensen gemakkelijker mee te krijgen in veranderingen. De uitdaging is dat de effecten minder voorspelbaar lijken dan die van traditionele beleidsinstrumenten en dat er vaak behoefte is aan zekerheid over het rendement van publieke middelen.
Juist nu er de komende jaren grote maatschappelijke transities op ons afkomen, waarvoor veel tijd en middelen beschikbaar zijn, hoop ik dat er meer ruimte ontstaat om gedragsinzichten structureel onderdeel te maken van beleid. Daar ligt volgens mij nog veel onbenut potentieel.”
Wat is volgens jou de noodzaak van het structureel verankeren van gedragskennis naast juridische en economische perspectieven binnen de rijksoverheid?
“Die noodzaak is heel groot, omdat het uiteindelijk altijd gaat om gedragsverandering. De overheid probeert gedrag vaak te beïnvloeden met instrumenten als wetgeving, normen en subsidies. Dat zijn belangrijke instrumenten, maar het zijn eigenlijk indirecte manieren om gedrag te veranderen. Als je gedrag ook op andere, meer directe en vaak toegankelijkere manieren kunt beïnvloeden, dan moet je die mogelijkheden benutten.
Ik ben zelf opgeleid als econoom en heb altijd gewerkt in omgevingen waar financiële prikkels centraal stonden. Die zijn absoluut belangrijk en ik wil daar niets aan afdoen. Maar ze vormen slechts een deel van het verhaal. Binnen de overheid zijn we nog steeds sterk georganiseerd vanuit economische en juridische perspectieven. Juist daarom is het belangrijk om daar gedragskennis structureel naast te zetten. Niet als vervanging, maar als een volwaardig aanvullend perspectief.”
Hoe probeer je daar als ambtelijk leider invulling aan te geven?
“Ik probeer voortdurend kritisch te kijken naar de aanname dat mensen altijd rationeel handelen. Dat zie ik als een belangrijke verantwoordelijkheid. Daarnaast pleit ik voor meer ruimte om te experimenteren. Niet alles hoeft vooraf volledig vast te staan; soms moet je juist dingen uitproberen en daarvan leren.
Bij veel maatschappelijke opgaven zouden we minder moeten sturen op het direct behalen van het eindresultaat en meer op het in beweging krijgen van mensen en organisaties. Dat in beweging komen is op zichzelf al een belangrijke stap. Die manier van denken is binnen de overheid nog niet vanzelfsprekend, maar ik zie wel dat daar steeds meer aandacht voor ontstaat.
Dat betekent bijvoorbeeld dat je niet alleen kunt sturen met financiële prikkels of regels, maar ook kunt leren van koplopers. Door organisaties of bedrijven die al succesvol zijn met elkaar in contact te brengen en hen hun ervaringen te laten delen, kun je beweging creëren. In sommige gevallen is dat effectiever én goedkoper dan het opleggen van nieuwe regels. Ik zie dat die gedachte steeds meer wordt omarmd.
Ook pleit ik er binnen onze bestuursraad voor om in alle beleidsketens voldoende gedragsexpertise beschikbaar te hebben. Juist als gedragskennis vanaf het begin onderdeel is van beleidsontwikkeling, kunnen we betere en effectievere keuzes maken. Uiteindelijk maken we daarmee beleid dat niet alleen goed is bedacht, maar ook daadwerkelijk werkt in de praktijk.”
Tot slot, aan welke ambtelijk leider wil je het stokje van deze interviewreeks overdragen? En welke vraag zou jij die persoon willen stellen?
Ik zou graag een vraag willen stellen aan Martijn Ridderbos, lid van het bestuur van de Autoriteit Consument & Markt. Mijn vraag aan hem is: Toezichthouders worden nog weleens afgerekend op het aantal inspecties, terwijl een succesvolle handhavingsstrategie gericht op gedragsverandering bij mensen en bedrijven van veel meer afhangt. Hoe ga je daarmee om?
Deze website maakt gebruik van cookies. Lees meer over cookies in onze cookieverklaring.
Deze cookies verzamelen nooit persoonsgegevens en zijn noodzakelijk voor het functioneren van de website.
Deze cookies verzamelen gegevens zodat we inzicht krijgen in het gebruik en deze website verder kunnen verbeteren.
Deze cookies worden gebruikt om statistieken te meten over het gebruik van de website (bijvoorbeeld via Google Analytics, Siteimprove of Matomo) en voor externe videodiensten zoals YouTube of Vimeo. Hiervoor maken wij gebruik van diensten van derde partijen. Deze cookies worden alleen geplaatst na jouw toestemming.
Jouw keuze aanpassen? Dat kan op elk moment via de cookie-instellingen in de footer.